Orthopedagogische methoden voor de kleuter

Orthopedagogische methoden voor de kleuter

Mej. N. HEYNEN

Directrice van de Katrinahof School te Antwerpen

De opleiding van de gehandicapte kleuter is lang een verwaarloosd terrein geweest. Uit het feit echter, dat er een handicap is, moet men besluiten, dat er meer zorg en tijd aan de opleiding van de gehandicapte kleuter moet besteed worden dan aan zijn gewoon ontwikkelende leeftijdsgenootjes.

Ook de in zijn ontwikkeling geremde kleuter leert in de periode tussen 3 en 6 jaar het meest, het snels, zelfs het belangrijkste voor zijn later leven.

We geven de voorkeur aan een buitengewoon kleuterdagverblijf, omdat dit de mogelijkheid biedt 's avonds naar het huiselijk midden terug te keren.

Zelfs het verstandelijk gehandicapt kind kan harmonisch opgroeien, op voorwaarde echter, dat zijn eigen persoonlijkheidsstructuur en zijn eigen individualiteit geëerbiedigd wordt. Dit is een reden temeer om de opleiding vroegtijdig te beginnen.

Aan welke voorwaarden moet de opleiding voldoen om efficiënt te zijn?

  1. Er dient gezorgd te worden voor een huiselijke sfeer met intimiteit en gezelligheid. Het kleuterdagverblijf moet een veilige haven zijn vol vreugde en liefdevol begrip.
  2. De persoon van de heilpedagoge neemt een voorname plaats in bij de opleiding. Zij moet meer steun, hulp en aanmoediging geven dan een doorsnee kleuterleidster. Daarbij is zij opvoedster, bovendien zal zij de moederfiguur zijn, die in staat is een sterke, persoonlijke affectieve binding tot stand te brengen met elk kind van haar groepje. Zij zal de gehandicapte kleuter accepteren, zoals hij is, ze zal hem laten presteren en goed zijn op zijn eigen karakteristieke manier, waardoor hij verstandelijk het maximale zal kunnen geven.
  3. Onder vorm van pedagogische spelletjes worden de elementaire begrippen, bijzonder de kennis van het eigen lichaam, bijgebracht en ingediept. Hierbij worden zoveel mogelijk zintuigen ingeschakeld.
  4. De psycho-educatieve werkjes of taken dienen aangepast te worden aan het ontwikkelingsniveau en aan het interesse van ieder kind afzonderlijk, er dient dus ook strikt individueel gewerkt te worden. Het motief om te willen leren ligt in het spel. Ook de afwijkende kleuter, die met plezier bezig is, heeft de mogelijkheid zich te ontplooien.
    De juiste dosering van het speel-leermateriaal is zeer belangrijk, het kind dient zo te kunnen werken, dat het succes behaalt. De leidster zal steeds uitgesproken waardering tonen voor elke prestatie, al is deze nog zo klein.
  5. In een kleuterdagverblijf dient een grote hoeveelheid en vooral een grote verscheidenheid van leermiddelen te zijn. De reden daarvan is tweevoudig; deze kinderen hebben veel afwisseling nodig omdat hun concentratie slechts kortstondig is, maar ook moet het speelleermateriaal een begrip tot in het kleinste detail aanleren. Voor de gehandicapte kleuter zijn er meer "tussenstadia" nodig, voordat hij een begrip in zich heeft opgenomen. Zo kan er een grondige en degelijke basis gelegd worden om verder iets te leren.
  6. De muziek is een voortreffelijk middel om de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en wel vanuit een lichamelijk-affectief motorisch beleven. Daar de muziek een sterke invloed ook op deze kleuters heeft, moet men zeer behoedzaam zijn in de keuze van de muziek. De heilpedagoge moet goed de uitvoering van bepaalde muziek kennen.
    Langs de muziek om, door het ritmisch lied, kan de spraakontwikkeling bevorderd worden. De heilpedagoge dient er op te letten steeds korte, duidelijke zinnen te gebruiken en steeds dezelfde benaming aan dezelfde dingen te geven.
  7. Geestelijk gehandicapte kleuters hebben zeer bijzonder rust nodig. De stilteoefeningen hebben voor hen zeer speciale waarde. Door aangepaste, stemmige muziek worden de kinderen ertoe gebracht de stilte aan te voelen. Het is noodzakelijk, dat ze zich hierbij volkomen kunnen ontspannen.
  8. Het inoefenen van goede gewoonten en het zich leren behelpen bij de eenvoudigste levensverrichtingen vormt een voornaam onderdeel van onze heilpedagogische methoden. Ons devies is: "Help het kind zichzelf te helpen." Zijn prestaties juist doseren en het gewenste steeds op een speelse manier presenteren zijn ook op dit gebied voorwaarden om resultaat te bekomen.
  9. Een vaste een zeer regelmatige dagindeling is zeer bevorderlijk voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van deze kleuter. Het geeft hem tevens een gevoel van zekerheid en zelfvertrouwen.
  10. Tot slot is een intense samenwerking met de ouders een "conditio sine qua non". Allereerst trachten we ouders te helpen hun kind te aanvaarden zoals het is, met zijn mogelijkheden, maar ook met zijn beperkingen. Geleidelijk aan krijgen dan de ouders bevrediging in het feit zelf te kunnen meewerken het levensgeluk van hun zorgenkind tot het uiterste te bevorderen.

Het is een verheugend feit, dat de publieke opinie geleidelijk aan meer ontvankelijk wordt voor de noden van het geestelijk gehandicapt kind. Op gebied van buitengewoon onderwijs is de laatste jaren een aanmerkelijk kwantitatieve uitbreiding tot stand gekomen. Toch is het opvallend dat men daarbij uitsluitend aan de buitengewone lagere school heeft gedacht. Eerst als het zorgenkind leerplichtig wordt, denkt men er aan opvoedkundige maatregelen te treffen.

Lange tijd heeft men eraan getwijfeld of het wel nut had de afwijkende kleuter in het onderwijssysteem te betrekken met uitzondering van de zintuigelijk gehandicapten.

Wanneer men echter het probleem vanuit psychologisch standpunt bekijkt, komt men tot de vaststelling dat uit het feit dat er een handicap is, er meer zorg en tijd aan de opleiding van de afwijkende kleuter moet besteed worden dan aan zijn gewoon ontwikkelende leeftijdsgenootjes.

Vroegtijdige hulp is juist voor deze kinderen absoluut noodzakelijk, want ook voor deze kinderen is de kleuterleeftijd zeer beslissend voor hun later leven: ze leren in die periode het meest, het snelst, zelfs het belangrijkste voor hun later leven.

In het algemeen wacht men nog te lang en verzuimt daardoor veel tijd, tot het ten slotte veel moeilijker wordt een behandeling te beginnen, want ook deze kinderen hebben "gevoelige perioden" voor het inoefenen van een bepaalde functie, welke niet overgeslagen mag worden. In de periode tussen 3 en 6 jaar is ook het ontwikkelingsgestoorde kind zeer vatbaar voor indrukken en bekwaam zich te ontplooien; daardoor moet er aan de opleiding uiterst veel zorg besteed worden.

Uit het feit dat er een afwijking is, en het kind dus anders is dan anderen, moet men besluiten dat ook de opvoeding anders moet zijn.

Een uniforme opleiding, zoals in de gewone kleuterschool kan hier niet dienen. Het andersbedeelde kind heeft dikwijls een geheel eigen persoonlijkheid met eigen wetten van ontwikkeling. De opvoeders moeten daar rekening mee houden, zodat ook deze kinderen ertoe gebracht kunnen worden hun eigen ware bestemming te zoeken en te vinden.

Wanneer een gewoon begaafd kind in een harmonisch gezin en in gunstige omstandigheden kan opgroeien, is kleuteronderwijs voor hem niet strikt noodzakelijk. Het gaat op ontdekking uit, experimenteert met allerlei dingen en doet daarmee ervaring op. Geleidelijk aan ontwikkelen zich bij hem die eigenschappen zoals aandacht, ijver, volharding, taakbewustzijn, welke hem rijp maken voor de gewone school. Hier en daar kan de volwassene leiding en aanwijzingen geven bij zijn spel, maar verder houdt hij zich op de achtergrond om het initiatief aan het kind zelf te laten.

Het ontwikkelt zich, gedreven door ontwikkelingsimpulsen van binnen uit. Dit is niet het geval met de geestelijk gehandicapte kleuter, bij hem is er een of andere belemmering in die innerlijke drang naar zelfontplooiing; in hem ligt niet dat krachtig vermogen om zelf tot ontwikkeling te komen. Deze kinderen hebben onze voortdurende hulp en stimulering nodig om iets te presteren, ze worden niet zo geboeid door hun spel, omdat hun aandacht veel zwakker is en hun continuïteit bij het werk korter. De opvoeding in het algemeen bestaat erin het kind te begeleiden op de weg naar zelfstandigheid. Het doel van de orthopedagogiek is het kind zo onafhankelijk mogelijk te maken, terwijl men steeds voor ogen moet houden, dat de totale zelfstandigheid niet bereikt kan warden.

De opgave van de heilpedagogen is, voortdurend ondersteuning en begeleiding te geven aan het gehandicapt kind. In plaats van "educatie" spreekt terecht E. Hoejenbos van "conducatie" en voor degenen, voor wie dat nog niet voldoende is van "inducatie". Het zijn zij, die steeds voor een stimulans tot iets gebracht moeten worden.

Men kan zich afvragen of de ouders zelf de opvoeding van hun gehandicapt kind gedurende de kleuterjaren niet op zich kunnen nemen.

Zeker hebben zij een zeer belangrijke en onontbeerlijke rol te vervullen, maar meestal worden zij door hun zorgenkind voor opvoedkundige problemen gesteld, waarop zij niet zijn voorbereid en waartegen zij dikwijls niet zijn opgewassen. De buitengewone kleuteropleiding staat daarom ook in dienst van de ouders en het is tevens haar taak de ouders de onontbeerlijke steun en voorlichting te geven waarop ze recht hebben. Daar deze ouders een groot leed met zich te dragen hebben, dat slechts geleidelijk aan kan vergroeien, hebben zij hulp nodig om tot een gezonde en evenwichtige relatie tot hun kind te komen. Eerst wanneer deze tot stand gekomen is en zij hun gehandicapt kind aanvaarden, zoals het is, met zijn mogelijkheden maar ook met zijn beperkingen, kunnen zij zich ten volle aan hun kind geven. Trouwens door het feit, dat de kleuter overdag afwezig is, zal de emotionele spanning verminderen en zal de moeder 's avonds beter in staat zijn zich met hem bezig te houden. De gehandicapte kleuter kan men praktisch geen ogenblik alleen laten, hij vraagt een voortdurende bewaking, hetgeen ten slotte de zenuwen van de moeder overbelast.

We spreken hier over het gezin, omdat wij van mening zijn, dat merendeels een buitengewoon kleuterdagverblijf de beste mogelijkheden biedt om goed en resultaat leverend heilpedagogisch werk te verrichten. Het afwijkend kind in de kleuterperiode heeft, veel meer dan het goedbegaafde kind, de affectie en toewijding van zijn ouders nodig, welke niet alleen door niemand of niets vervangen kan worden, maar zelf zeer noodzakelijk zijn om zijn psychische ontplooiing te bevorderen.

Welke methoden zouden bruikbaar kunnen zijn voor de afwijkende kleuter? Het antwoord op deze vraag was niet zo eenvoudig te geven, toen wij ruim 10 jaar geleden begonnen met een kleuterdagverblijf na meerdere jaren ervaring met afwijkende kleuters in de Medisch Psychologische Kinderkliniek van Prof. R. Dellaert te Antwerpen (Child Guidance Clinic).

In de heilpedagogische literatuur was weinig of niets te vinden over opvoeding van de afwijkende kleuter. De bestaande boeken waren eerder psychiatrisch of sociaal gericht dan orthopedagogisch. Het was een werkterrein, dat men nog moest gaan verkennen.

We gingen van het princiep uit dat de opvoedingsmethoden het totale ontwikkelingsproces van de afwijkende kleuter moest omvatten, dus niet alleen het bevorderen van zijn verstandelijke ontplooiing, maar opvoeding in de breedste zin van het woord. Het werk van de Amerikaan Gesell "The first five years of life" heeft ons daarbij veel dienst bewezen.

Juist omdat hij tot in de kleinste details de kinderlijke ontwikkeling en gedraging beschreven heeft, niet alleen op gebied van omgang met materiaal, de spraakontwikkeling, de motoriek, maar op gebied van zijn persoonlijk en sociale gedraging, was zijn werk ons zeer nuttig en richtinggevend, hoewel het normale kinderen betreft.

Verschillende basisideeën van bekende pedagogen zoals Montessori, Decroly, Hanselmann, Rudolf Steiner gaven oriëntatiepunten, maar zij hadden zich uitsluitend op het schoolkind gericht. Goede aanduidingen gaf ons het werk van de Zwitserse psycholoog André Rey "Arriération mentale et premiers exercices éducatifs", hoewel het bedoeld is voor individuele behandeling.

We waren ons zeer goed bewust, dat het vertrekpunt van elke behandeling een goede diagnose moest zijn, gesteld in teamverband van kinderpsychiater, kinderpsycholoog en psychiatrisch-sociale werkster. Men moet weten met welk soort stoornis of met welke afwijking men te maken heeft, of deze organisch is of later verworven (jammer genoeg wordt nog te veel de terminologie uit de psychiatrie van de volwassenen overgebracht op het kind). Ook wat het psychologisch onderzoek betreft, is een verstandstest veel te eenzijdig. De veelvormige en gecompliceerde gedragingen van de kleuter kan men niet in één proefsituatie leren kennen.

De ontwikkelingsschema's van Geselt en de Vineland Social Maturity Schaal geven een bredere kijk op de algemene ontwikkeling van de afwijkende kleuter, terwijl de "Fels Child Behaviour Scale" meer het psychologisch aspect weergeeft. Deze proeven voorkomen een enge, en eenzijdige intelligentiemeting. Vooral in de kleuterjaren is de psychologische groei veel groter dan in andere levensperioden. Bovendien heeft elk kind een uniek patroon van groei en zeker het afwijkend kind.

Aan de hand van de gedragspatronen van Gesell is het mogelijk de afwijking in de ontwikkeling te bepalen en wel op gebied van de motoriek, omgang met materiaal (welke intelligentie en opmerkzaamheid omvat) verder de taal en persoonlijk sociaal gedrag.

Behalve individuele tests, welke de verhouding van het kind tot zichzelf bepaalt, is er voor de kleuter nog een tekort aan tests. Voor heilpedagoog is het van principieel belang tevens de relatie van het kind tot de andere mensen te kennen.

Toch is bij elk psychologisch onderzoek een grondige gedragsobservatie een onmisbaar element, als aanvulling van de meer kunstmatige testsituatie. Vooral in geval van bepaalde ontwikkelingsstoornissen, die met verstandelijke verachtering te maken hebben is een dergelijke observatie noodzakelijk. Er bestaat al een groot structuurverschil tussen volwassene en kind en dit wordt nog groter als het een verstandelijk verachterd kind betreft. De persoonlijkheid van deze kinderen is zo moeilijk te doorgronden omdat hun psychologie zover van de onze verwijderd is en hun uitdrukkingsmiddelen zo pover zijn. We hebben een diagnose nodig om onze behandeling te beginnen. Prof. Carp zegt: "Een diagnose dient niet een etiket te zijn, dat een stempel drukt op een aantal terecht of ten onrechte in een onderling verband gebrachte reactievormen van het menselijk organisme. Een diagnose dient in zich te dragen een beeld, dat richting geeft aan ons denken en handelen. In een goede diagnose liggen prognose en therapie besloten. Een diagnose kan slechts op die benaming aanspraak maken, wanneer zij naast een bepaald type van afwijkende gedragsvorm, ook een beeld geeft van een bepaald type van persoonlijkheidsstructuur."

Wanneer de diagnose steeds zo zou worden opgevat, konden wij heilpedagogen er veel nut uit trekken. De meeste diagnosen zijn echter voor de heilpedagogiek volkomen waardeloos. Wat zegt ons het verzamelbegrip debilitas mentis, als er verder niets gezegd wordt over de persoonlijkheid van dit kind en zijn mogelijkheden. De meeste constateringen zijn overwegend negatief en geven geen hulp voor heilpedagogische behandeling. Toch kunnen verschillende afwijkende kinderen harmonisch opgroeien, als hun eigen structuur, hun eigen individualiteit geëerbiedigd worden. Ondanks hun verstandelijke handicap behoeven zij geen probleemkinderen te worden, indien ze de voor hen aangepaste opleiding en vroegtijdige hulp krijgen.

Wanneer men nu met de behandeling van kleine zorgenkinderen begint, behoort er allereerst voor een passende omgeving gezorgd te worden.

Wat het gebouw betreft zou dit geen echte "school" mogen zijn. Vanaf het begin hebben wij de voorkeur gegeven aan een herenhuis met de intimiteit en gezelligheid, die nu eenmaal aan een woonhuis eigen zijn. De plaatsen zijn geen echte klaslokalen, maar lijken meer op grote huiselijke speelkamers. Hierin zullen deze kleuters zich gauw thuis voelen, want zij hebben nood aan veiligheid en geborgenheid. De omgeving van het kleuterdagverblijf moet voor hen als het ware een veilige haven zijn vol vreugde, intimiteit en liefdevol begrip. Dat zijn de voorwaarden om psychisch te kunnen groeien. Veiligheid en vertrouwen verhelderen de geest en brengen deze kinderen tot prestaties, die ze anders niet zouden bereiken. Zij hebben een omgeving nodig, waar ze zichzelf kunnen en durven zijn, waar ze kunnen presteren en goed zijn op hun eigen karakteristieke wijze.

In die omgeving speelt natuurlijk de heilpedagoge een voorname rol. Haar eerste taak is bij deze kleuters één van de meest menselijke gaven wakker te roepen, n.l. het contact, d.i. blijk geven van een zichzelf herkennen in de andere. Ze moet proberen een werkelijke ontmoeting tot stand te brengen. Door zich totaal open te stellen, veel genegenheid te geven aan de gehandicapte kleuter zal deze zich geleidelijk aan ook openstellen, wordt zijn eenzaamheid doorbroken, zodat hij tot een echt menselijke relatie komt met zijn leidster. Ook bij het geestelijk gehandicapt kind groeit uit de ontdekking van de ander en de bewustwording van de ander, de ontdekking van zichzelf.

De kleuter moet zich dus niet alleen in een aangepaste omgeving, maar ook bij de persoon van de leidster thuis voelen. Zij moet daarom dit kind aanvaarden zoals het is met zijn eigen individuele, specifieke geaardheid, niet alleen met zijn mogelijkheden, maar ook met zijn beperkingen.

Dan eerst kan het kind zichzelf zijn, als het zich aanvaard voelt. Ook deze kinderen voelen zeer intuïtief aan of ze wel, of niet of misschien slechts half aanvaard worden. Zij kunnen op hun manier en volgens hun eigen wetten harmonisch uitgroeien, als ze er de kans toe krijgen. Daarom vraagt de opvoeding van de gehandicapte kleuter een andere psychische instelling, een andere benadering, een andere omgeving. De heilpedagoge heeft een veelzijdige taak, ze moet meer steun, hulp en aanmoediging geven dan een doorsnee kleuterleidster. Ze is daarbij opvoedster, maar vooral zal zij de moederfiguur zijn, die in staat is een sterke persoonlijk affectieve binding tot stand te brengen met elk kind van haar groepje. Ze weet die huiselijke stemming te handhaven, waarbij ieder die liefdevolle tegemoetkoming krijgt die bij zijn specifieke persoonlijkheid en ontwikkelingspeil past.

Zoveel mogelijk zal zij haar genegenheid afstemmen op het probleem van ieder afzonderlijk ; Ze zal het onverschillige, in zichzelf opgesloten autistisch kind uit zijn schulp weten te halen, terwijl ze bij een ander innerlijke spanningen zal trachten te vermijden. De aanvaardende en genegenvolle verhouding van de leidster ten opzichte van de gehandicapte geeft hem geleidelijk aan het zo noodzakelijk gevoel van zekerheid en zelfvertrouwen, dat een grote steun is bij de opbouw van zijn persoonlijkheid. Dan zal hij kannen presteren en goed zijn op zijn eigen karakteristieke manier, hij zal dan psychisch openbloeien om ook verstandelijk het maximale te kunnen geven.

We hebben grote nadruk gelegd op het specifieke van de affectieve benadering bij deze kleuters, omdat dit eigenlijk het fundament is van heilpedagogisch handelen: de affectieve gebondenheid tussen dit kind en zijn opvoeder. Het komt er nu op aan een aanknopingspunt te vinden in de bepaalde structuur van dit bepaalde kind, dat als uitgangspunt kan dienen voor de behandeling. Iets te vinden, waarvoor men zijn interesse kan opwekken. Dat uitgangspunt kan zeer verschillend zijn, voor de één kan het de motoriek zijn: hij is graag in beweging; de ander experimenteert graag met speelgoed of kijkt graag toe wat de anderen doen, voor velen zal het de muziek zijn, die ze graag horen, en waarvoor ze enige aandacht kunnen geven. Dit laatste is zeer belangrijk, het feit, dat ze even bij iets stil kunnen staan, is een begin om iets in zich te kunnen opnemen.

Komt een kleuter voor 't eerst naar het kleuterdagverblijf, dan stelt men geen eisen, de leidster betoont hem veel genegenheid en is op haar hoede, dat hij zich gauw thuis voelt in deze voor hem zo nieuwe omgeving. Ze weet dat hij vel te verwerken krijgt die eerste dagen.

Als het nodig is, mag moeder de eerste dagen meekomen om hem de nodige veiligheid te geven. Eenmaal, dat hij weet, dat hij elke dag terugkeert in de geborgenheid van het gezin, gaat de aanpassing gemakkelijker.

's Morgens bij het binnenkomen is de begroeting zeer individueel. De leidster heet het kleintje hartelijk welkom, zodat hij aan gaat voelen, dat men blij is, dat hij er weer is. Het is een zeer persoonlijke begroeting, waarbij ze zich intuïtief in de hurken zet om klein te zijn en hem in de ogen te kunnen zien, waardoor het tot een menselijke begroeting zou komen. Juist het in de ogen zien is een typisch menselijke verstandhouding en een blijk van contact.

Zijn de kinderen in de speelkamer bijeen gekomen, dan gaan ze samen met de leidster eerst knus in een kringetje zitten, ook weer om het contact met de kinderen onderling te bevorderen. Er wordt een stimulerend, opgewekt morgenliedje gezongen, ze reiken elkaar de hand en zeggen samen: "We wensen elkaar een goede morgen." Dan volgen de bewegingsversjes, die elementaire begrippen weergeven.

Zoveel mogelijke zintuigen worden daarbij ingeschakeld om de begrippen te verdiepen en hun eigen lichaam te leren kennen, hetgeen belangrijk is. Andere kinderen leren uit zichzelf, maar deze kleuters moet men leren wat en waar hun handen, armen, benen en voeten zijn. Er is een zekere preverbale kennis die door middel van de lichamelijkheid verworven wordt. Bijzonder bij deze kinderen is het vertrekpunt van de verdere verwerving van kennis, de lichaamskennis die het bezit en die het verworven heeft. Het vertrouwelijk omgaan met het eigen IK, dus met de eigen lichamelijkheid is de eerste stap tot vertrouwelijke omgang met de buitenwereld.

Bewust worden van zichzelf en het bewust worden van het eigen lichaam is niet alleen een hulp, maar teven een noodzaak om tot een normaal contact met de buitenwereld te komen. Zo komt hij geleidelijk aan tot een beter begrijpen van zijn eigen IK en kan hij onderscheid maken van "Ik-vreemde gegevens". Dan is hij op weg naar integratie van zijn persoonlijkheid.

Na de pedagogische spelletjes in de kring krijgt ieder zijn plaats aan een tafeltje. De leidster geeft de kleuter een werkje aangepast aan zijn ontwikkelingsniveau en aan zijn interesse. Hij moet het werkje graag doen, het moet speels zijn, want het motief om te leren is in het spel. Ook het afwijkend kind, dat met plezier bezig is, heeft de mogelijkheid om zich te ontplooien. Een kind moeten we niet vergelijken met een valies, die we vol kunnen stoppen met alles, wat hij voor zijn levensreis nodig heeft. Nog een andere voorwaarde om te ontplooien is het succes.

Succes betekent, dat de leidster zijn prestatie waardeert, al is deze nog zo klein. Vooral deze kinderen hebben veel meer aanmoediging nodig dan anderen, omdat hun activiteitdrang veel geringer is. In hen ligt niet die kracht tot zelfontplooiing, daarom hebben ze voortdurend steun en hulp nodig om tot prestatie te komen. Elke prestatie, elk werkje, dat afgemaakt wordt, wordt onderlijnd doordat de leidster even in de handen klapt om het kind, als het ware te feliciteren, met zijn succes. Ze voegt eraan toe: "Bravo, dat hebt ge goed gedaan." Zo komt de kleuter geleidelijk tot het onontbeerlijk taakbewustzijn: hij weet, wanneer zijn werkje af is en mag iets anders beginnen.

Het komt er ook op aan de werkjes goed te doseren, hetgeen niet eenvoudig is. Het mag nooit te moeilijk zijn, want dat werkt ontmoedigend en is belemmerend om verder te experimenteren. Het kind moet het werkje aankunnen. De uiteindelijke triomf over het gegeven taakje betekent succes in al zijn bezig zijn. De heilpedagoge dient dus goed op de hoogte te zijn van het ontwikkelingspeil van elk kind afzonderlijk. Ze mag ook wel eisen stellen aan de moeilijkheidsgraad, want een werkje, dat te gemakkelijk is, vraagt geen inspanning meer en het kind verliest zijn belangstelling.

Een kleuterdagverblijf voor afwijkende kinderen moet een grote verscheidenheid van leermateriaal bezitten. Niet alleen omdat deze kinderen veel afwisseling nodig hebben, maar ook vanuit pedagogisch standpunt bekeken. Het speelmateriaal moet niet alleen hetzelfde begrip op verschillende wijze aanbrengen, zodat geen stereotypie ontstaat, maar dit ook tot in de kleinste details aanleren. De opklimming in de moeilijkheid gaat zeer geleidelijk aan, want er zijn veel tussenstadia nodig voordat deze kleuter een begrip in zich heeft opgenomen. Voor elke tussenfase behoort speciaal oefenmateriaal te zijn. Zo wordt een grondige en degelijke basis gelegd om verder te leren.

We hebben in onze instelling het pedagogisch materiaal zeer systematisch geklasseerd, volgens opklimming van moeilijkheid en wel op gebied van kleurenkennis, vormenkennis, identificatieoefeningen, inlegvormen, praktische kennis enz.

Voor elk van die functies hebben we als het ware een trap gemaakt met zeer veel treden, beginnend met zeer eenvoudige tot veel meer gecompliceerde spelen.

Het is een probleem, dat in het bestaande opvoedkundige speelmateriaal bijna niets te vinden is, dat kan dienen voor de kleinsten, alles is te moeilijk. Heel veel dingen hebben we zelf moeten uitdenken, toetsend aan de mogelijkheden van onze kleuters. Ander bestaand materiaal hebben we kunnen vereenvoudigen.

Als het kind daarvoor rijp is, wordt een begrip ingediept, volgens de drie trappen van Seguin. Allereerst geeft men met concreet materiaal het begrip, gewoonlijk met 2 voorwerpen als vergelijkingsmateriaal b.v. "dit is een cirkel, dat is een vierkant". Dan volgt het herkennen van het begrip doordat men het kind vraagt: "Geeft me de cirkel; geef me het vierkant." Daarop volgt de derde trap: de naam geven aan het begrip door het kind. Hierbij vraagt men: "Wat is dit?", terwijl men het voorwerp toont. Heeft het kind de voorafgaande stadia goed verwerkt, dan zal het dit begrip kunnen benoemen. Zo krijgt men een grondige basis en wordt oppervlakkige, mechanische kennis voorkomen, waartoe deze kinderen gemakkelijk geneigd zijn.

Een ander belangrijk hulpmiddel om begrippen in te diepen is het inschakelen van de motoriek. Begrippen als "groot en klein", "hoog en laag", "luid en zacht", "vlug en langzaam", "open en toe" kunnen lichamelijk uitgebeeld worden, dergelijke begrippen worden door de uitbeeldende beweging echt doorleeft, omdat deze "aan den lijve" worden ondervonden en ervaren. Men moet dit zeer letterlijk opvatten.

Beweging is het begin van alle opvoeding. Reeds langs de tastzin neemt het kind contact met de buitenwereld. Geleidelijk aan leert het zich bewegen, zich oprechten, zitten, kruipen, lopen. Dan gaat hij de ruimte ontdekken en veroveren, hij gaat de omgeving beleven, waardoor hij zowel lichamelijk, als geestelijk, vaardigheden opdoet.

Een kind, dat zich moeilijk of traag beweegt, zoals bij gehandicapte kinderen soms het geval is, blijft arm aan ervaringen en moet daarom tot beweging gestimuleerd worden zodat ook hij de buitenwereld kan ontdekken. Dan kan hij aan den lijve ervaren, dat hij energie bezit, dat er lichamelijke en geestelijke krachten in hem zijn, die hij kan gebruiken. Dit aanvoelen en ondergaan van zijn IK-mogelijkheid, van zijn eigenmacht, is onontbeerlijk voor de opbouw van zijn IK, van zijn persoonlijkheid. In de beweging wordt ook het eerste contact met de omgeving en de medemensen gelegd en ingeoefend. Zonder beweging is er geen ontmoeting en geen binding. Vrijheid en soepelheid in beweging zijn voorwaarden om tot contactmogelijkheid te geraken. Daarom wordt veel aandacht besteed aan het opbouwen van de bewegingen.

Niet alleen de beweging, maar ook de muziek is een voortreffelijk middel om de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen. Goethe had dit reeds ontdekt, toen hij opmerkte: "Die Musik ist eines der ersten Mittel um auf den Menschen wunderbar zu wirken." Beweging en muziek zijn twee oerkrachten die zo diep in de mens geworteld zijn, dat er een onvermoede en verbazingwekkende werking vanuit gaat. Vreugde beleven aan beweging en muziek zijn twee krachten in de mens, die meestal onbeschadigd zijn. Daarom moeten we ze voor onze kinderen uitbuiten.

Het gaat hier niet op de eerste plaats om het zuiver musische aspect, maar om het feit, dat de muziek een belangrijk opvoedingsmiddel vanuit een lichamelijk-affectief, motorisch beleven is.

Doordat we ervaren welke sterke invloed de muziek op deze kleuters heeft moet men zeer behoedzaam zijn in de keuze van de muziek, anders is het geen opvoedingsmiddel meer. De heilpedagoge moet goed de uitwerking van bepaalde muziek kennen.

Met ontwikkelingsgestoorde kleuters moet men echter een andere weg volgen dan de gewone, die erin bestaat om met een eenvoudig kinderliedje te beginnen. Daarna volgen ritmische oefeningen om dan geleidelijk aan over te gaan naar de echte muziek.

Om de muziek heilpedagogisch te benutten voor deze kinderen moet men uitgaan van de zuivere muziek. Ook hier, zoals bij het pedagogisch materiaal is een gradatie, zijn er verschillende "fasen" die men dient te volgen. Men gebruikt geen moeilijke muziek, maar het licht romantisch genre b.v. "Eine kleine Nachtmuziek" van Mozart, "Rosamunde" van Schubert. Deze kleuters zullen bij het aanhoren van deze muziek niet tot een kunstzinnige beleving komen, maar deze rustbrengende muziek heeft een weldadige, kalmerende invloed op hun persoonlijkheid, waardoor ze gemakkelijker zich zelf worden en zichzelf ontdekken.

De tweede "fase" is het eenvoudige, ritmische kinderlied. De kleuter beleeft vreugde aan eenstemmige melodieën, eenvoudig en duidelijk van vorm, welke hij kan opnemen en weergeven door in de handen te klappen, met de voetjes stampen, of op zijn knieën te kloppen. De muziek te begeleiden door ritmisch te bewegen vindt hij erg prettig. Wanneer het kind door lichamelijke bewegingen, zoals klappen, stappen, het ritme in zijn lichaam kan beleven, dus kan opnemen en weergeven, kan men een stap verder gaan. Dan mag met zeer eenvoudig rammel- en klopinstrumentjes begonnen worden. De rammeldoosjes moeten klein en aan het kleuterhandje aangepast zijn, ze zijn gemakkelijk zelf te maken. De mooie bamboerammelaar van Orff en de grote landsknechttrommel zijn bij de kinderen ook zeer in trek. Zo kan de leidster al spoedig een klein orkestje vormen, waaraan de kinderen veel vreugde beleven.

Indirect is zulk musiceren van grote opvoedkundige waarde. De kleuter leert volgend, hij gaat onder invloed van de muziek met zijn oren, ogen, ja met zijn hele lichaam volgen en doet het met vreugde. Hij is op weg te leren gehoorzamen en op een aangename manier, want hij ondervindt de muziek niet als autoriteit. Tevens wordt het kind soepel en zeker in zijn bewegingen, waardoor zijn zelfvertrouwen groeit, hij krijgt genoegen in het feit dat hij uit zichzelf iets kan. De ritmiek is voor de gehandicapte kleuter een uiterst belangrijk opvoedingsmiddel. Ze is tegelijk leven, beweging, spel en heeft het grote voordeel niet als onderricht aangevoeld te worden.

Van de muziek gaat een stimulerende, activerende werking uit en het verband tussen lichaamsbeweging en muziek is bij de kleuter veel vanzelfsprekender dan bij de volwassenen. Verbazend snel reageert hij op ritme en klank, hij heeft daar een speciale aanleg voor, die we vooral niet mogen verwaarlozen, maar pedagogisch moeten benutten. Mens en muziek zijn enger en dieper met elkaar vervlochten, als men oppervlakkig zou denken. Muziek behoort speciaal bij deze kinderen, die er zo voor open staan. Wanneer b.v. het kind geen stap meer vooruitgaat, zodra de muziek ophoudt, dan handelt het om een diep pedagogisch en psychologisch moment. Het plotseling halthouden komt onder invloed van muziek gemakkelijk tot stand zonder dat het commando van de leidster nodig is en tevens wekt het geen oppositie. De kleuters stralen van vreugde bij deze oefeningen, waarbij ze onbewust zich trainen in zelfbeheersing en concentratie. Het kind werkt daardoor zelf mee aan zijn eigen opvoeding. Door de muziek komt hij ook tot ontdekking van klanken en gaat deze nabootsen. Menige afwijkende kleuter kan nog niet spreken, als hij bij ons komt. Zijn spraakontwikkeling bevorderen is ook een belangrijke taak van het buitengewoon Kleuterdagverblijf. Ook hier heeft de muziek een zeer gunstige invloed. Door het meezingen komen ze eerst tot het uiten van enkele klanken en geleidelijk tot eenvoudige woordjes. Langs de muziek om door het ritmische lied konden kinderen, die voorheen niet spraken, tot klankuiting en tot het articuleren van woorden komen.

De spraakontwikkeling bij het gehandicapt kind verloopt trager, de spraak ontwikkelt zich niet plotseling uit het zwijgen. Ook hier zijn weer verschillende tussenstadia, welke bij deze kinderen speciale inoefening vragen. Het is daarom noodzakelijk dat men duidelijk weet op welke trap van ontwikkeling hun spraak staat, als men hen gepaste hulp wil bieden. Alvorens tot spraakuiting te komen, moet de kleuter eerst zijn spraakorganen leren gebruiken, die bij het voorbrengen van klanken in beweging moeten worden gezet. Om deze te stimuleren dienen lippen-, tong- en kauwoefeningen gemaakt te worden. Er bestaan aantrekkelijke blaasoefeningen en het likken aan een lolly is een "lekkere" tongoefening.

Geleidelijk aan krijgt het kind plezier zijn spraakorganen te oefenen en begint de lalperiode. Het dient aanbeveling de klankimprovisatie van het kind onmiddellijk en in dezelfde toon en ritme te herhalen, zodat hij zich terdege bewust wordt van het feit, dat hij klanken aan het voortbrengen is. De klankuitingen, bijzonder de vocalen kunnen zeer goed ingeoefend worden volgens de beginselen der euritmie, een methode van de bekende heilpedagoog Rudolf Steiner. Elke vocaal wordt met een bepaald gebaar uitgebeeld, hetgeen de klankuiting bevordert.

Wanneer we erin geslaagd zijn de klankvorming van het kind te stimuleren, kunnen we beginnen hem een gekend voorwerp te tonen met daaraan een bepaalde klankuiting te koppelen. Wanneer hij dit verband ontdekt, is hij in de fase van de naamfunctie van de spraak gekomen, en zal hij woordjes gaan stamelen. Veel aanmoediging en een spelatmosfeer zal nu de spraakontwikkeling verder bevorderen. De heilpedagoge moet er op letten steeds korte, duidelijke zinnen te gebruiken en steeds dezelfde benaming aan dezelfde dingen te geven. Het komt meermalen voor, dat de verschillende fazen van de spraakontwikkeling bij deze kinderen niet in de gevoelige perioden zijn ingeoefend, waardoor ze later zeer moeilijk of zelfs geheel niet meer tot spreken komen. Ze trachten zich dan slechts met gebaren verstaanbaar te maken.

Geestelijk gehandicapte kinderen hebben zeer bijzonder rust nodig. De stilte heeft voor hen zeer speciale waarde, want vele onder hen zijn nerveus, ongedurig of gedesintegreerd. In de boeken "Le Silence" en "l'Education de l'homme conscient" heeft Lubienska de Lenval ons waardevolle aanduidingen gegeven in verband met de stilte.

De omgeving wordt daarbij benut om tot de stilte te predisponeren: op de grond ligt een tapijt, de gordijnen worden dichtgeschoven, zodat het schemerdonker is. Om te voorkomen, dat de kinderen zelf geluid maken, mogen ze hun schoenen uitdoen. Het is noodzakelijk, dat ze zich zo veel mogelijk ontspannen, zodat ze tot relaxatie van hun spieren komen. Daarvoor mogen ze voorover op de grond liggen, het hoofd op de armen gesteund. Door aangepaste, stemmige muziek worden de kinderen ertoe gebracht de stilte aan te voelen. Het "Largo" van Handel b.v. is zeer geschikt daarvoor. We laten de muziek steeds stiller spelen, totdat deze geheel wegklinkt. Dan kunnen de kinderen de stilte beleven en aanvoelen, ze zullen het minste gemis opmerken. Het is opvallend, hoe graag ze deze oefeningen doen, zelfs kinderen, die anders druk en ongedurig zijn, blijven roerloos liggen. Vanuit deze situatie zijn de kinderen zeer goed bekwaam kleine bevelen uit te voeren, b.v. "doe uw ogen dicht" of "hef uw been op". De kinderen worden zich daardoor bewust dat ze spieren hebben, die ze zelf kunnen bevelen, en dat die spieren aan hun wil kunnen gehoorzamen. Dit is een belangrijke ervaring, waardoor we tot lichaamsbeheersing geraken.

De stilteles is ook een gunstig moment om iets te laten bewonderen, b.v. mooie bloemen tonen. We maken de kinderen opmerkzaam, welke schone vorm en kleur ze hebben, hoe lekker ze ruiken. Ze zijn nu zeer ontvankelijk om iets in zich op te nemen. Wanneer we deze kleuters verwondering over al het schone kunnen bijbrengen, dan ontwikkelt zich daaruit bewondering en leidt dit weer tot eerbied. Verwondering en bewondering bijbrengen is een waardevolle levenskennis, welke stimuleert tot het zelf vinden van vragen, die het leven stelt. Zijn geest wordt wakker en actief.

Nu zullen we overgaan tot het meer praktische deel van onze heilpedagogie, n.l. het inoefenen van goede gewoonten. Een van de eerste voorwaarden om zich aan het leven aan te passen, is de bekwaamheid zich zelf te kunnen behelpen bij de eenvoudigste verrichtingen van het dagelijks leven, zoals eten, aankleden, naar toilet gaan, wassen.

Dit alles is niet zo eenvoudig voor onze afwijkende kleuters en ze hebben daarvoor een speciale training nodig. Ook deze alledaagse, bijna vanzelfsprekende bekwaamheden moet hen in verschillende fasen en tot in de kleinste details aangeleerd worden. Geselt heeft ons in zijn boek "The first five years of life" zeer bruikbare normen gegeven, hoe de ontwikkeling van deze gewoonten zich tot in bijzonderheden voordoet. Zeer zeker zijn er voor deze kinderen weer tussenstadia, doch als men deze kleuters systematisch observeert en men is wat vindingrijk, dan weet men wel wat ze nodig hebben om tot het veroveren van deze allerelementairste levensgewoonten te geraken. Bij het leren eten moet bijzondere aandacht geschonken worden aan kauwen. Kauwen vraagt een inspanning, die vele van deze kleintjes niet graag doen, ze krijgen dan maar brijkost, die gemakkelijk naar binnen gaat. Dat is echter geen opvoeding. Het kauwen moet dan systematisch met kleine hoeveelheden, liefst voor de spiegel, ingeoefend worden. Iets lekkers kan in het vooruitzicht gesteld worden om die oefening aantrekkelijk te maken. Op gebied van het leren eten met een lepel, kan men drie verschillende modellen kinderlepels gebruiken, die beantwoorden aan de ontwikkelingsstadia van het leren vasthouden van een lepel. Zo zijn er voor het leren drinken ook verschillende soorten bekers, die een gradatie in moeilijkheid geven. Dit zeer geleidelijk aanleren voorkomt ontmoediging bij deze kinderen, die van nature uit niet zo geneigd zijn hun eigen moeilijkheden te overwinnen.

Het Ieren aan- en uitkleden is een andere gewichtige aangelegenheid. Met begint eerst met het gemakkelijkste, namelijk het leren uitkleden. Aanvankelijk zal dit slechts bestaan in een handje uitsteken of een voetje omhoog heffen, maar we moeten al met weinig tevreden zijn in het begin. Het komt er zelfs op aan dit weinige te zien en dit weinige te onderlijnen met een gebaar van aanmoediging. Succes is ook hier weer de grote factor om verder te proberen. Om het gebied van kledingstukken hebben we allerlei attributen uitgevonden om de weg tot aankleden te vergemakkelijken. Eerst wordt op een bijna levensgrote pop of Teddybeer geoefend onder vorm van een rollenspel.

Het zou ons te ver voeren, alles in details te bespreken. De kinderlijke handelwijze spoort ons aan vindingrijk te worden, als wij hem met geduld en in alle oprechtheid willen helpen op de voor hem moeizame weg zich zelf te leren behelpen. Daarbij houden we steeds rekening met zijn ontwikkelingspeil. We mogen hem nooit forceren tot iets waartoe hij werkelijk nog niet in staat is, dan wordt hij tegenstrijdig en geeft het op echt inspanning te doen. Zijn kunnen juist doseren en het gewenste steeds op een speelse manier presenteren zijn voorwaarden om resultaat te verkrijgen.

Een ander onderdeel van onze orthopedagogiek voor kleuters is het vast-houden aan een zeer regelmatige dagindeling. Een juist aangepaste dagindeling is zeer bevorderlijk voor hun lichamelijke en geestelijke gezondheid. Dit geeft hen tevens een gevoel van zekerheid en zelfvertrouwen, als ze de dagindeling kennen en weten wat er gaat komen.

Een kind, en zeker een gehandicapt kind, bloeit open als het kan leven in gezond, rustig ritme van wakker zijn en slapen, werken en rusten. Wanneer we op het ritme van de dag letten, kunnen we daarin mijlpalen zetten, de kinderen leren dan meteen in de tijd leven.

Elke nieuwe activiteit wordt door een verschillend klankinstrument ingeluid; dit voorkomt commanderen. Wanneer de leidster 's morgens de cyclophone neemt en enige klanken laat horen, betekent dit, dat het vrije spelen voorbij is en ze samen in de kring bijeenkomen en op hun stoeltjes plaats nemen voor de prettige bewegingsversjes te doen.

Na het middageten, waarbij veel zorg besteed wordt aan het zelfstandig maken, rusten de kleintjes een uurtje in een schemerdonkere kamer.

Ze liggen uitgestrekt op een matrasje. Als ze niet slapen, rusten ze toch en kunnen ze zich ontspannen, zodat ze daarna weer beter in staat zijn, iets te verwerken en in zich op te nemen.

In de namiddag wordt kleutergymnastiek gedaan en vooral dikwijls praktische les gegeven, zoals bordjes afwassen, zich leren aan- en uitkleden, oefeningen met het knopen- en strikkenrek, leren knippen enz. Verder mogen ze spelen met primitief materiaal, als water en zand, waarmee ze zeer veel ervaringen kunnen opdoen. Ook kunnen ze met waterverf experimenteren op grote bladen behangpapier, eerst gewoon met de vinger en later met een verfborstel op een kleine echte schildersezel.

Voor het vertrek zitten ze weer bij elkaar in de kring en wordt een rustig afscheidslied gezongen.

Het samenstellen van de groepen vraagt ook onze speciale aandacht. We trachten steeds een zo gunstig mogelijke psychologische wisselwerking te verkrijgen. We vormen b.v. geen groepje van alleen mongooltjes. Vanaf het begin van ons werk met kleuters geven wij er de voorkeur aan kinderen samen te groeperen met verschillende ontwikkelingsstoornissen, b.v. cerebraalgestoorde kinderen met mongooltjes, autistjes en kinderen met post-encephalitische stoornissen tezamen. De ijver van het spastisch kind zal het mongooltje gunstig beïnvloeden, het mongooltje zal op zijn beurt met zijn affectieve mogelijkheden het teruggetrokken autistje uit zijn schulp kunnen halen. Zo verkrijgen we een soort groepstherapie, die zeer positief werkt.

Ten slotte zouden we nog iets willen zeggen over de samenwerking met de ouders. Om met afwijkende kleuters heilpedagogisch te werken is absoluut noodzakelijk de medewerking van de ouders te verzekeren. Door regelmatig contact moeten we de ouders allereerst helpen hun kind te aanvaarden, zoals het is. We weten maar al te goed, dat de ouders een groot verdriet te verwerken krijgen, dat er berusting in hen moet rijpen, hetgeen dikwijls, veel tijd vraagt, dat is normaal. Wanneer dan de ouders zo ver zijn, dat ze in dezelfde geest als het Kleuterdagverblijf kunnen samenwerken, zal het resultaat van de opvoeding groter worden. De ouders krijgen dan geleidelijk aan bevrediging in het feit, dat ze zelf kunnen meewerken het levensgeluk van hun zorgenkind tot het uiterste te bevorderen.

We menen, dat U intussen overtuigd zult zijn geworden van de gunstige invloed welke een orthopedagogische opleiding aan de kleuter geeft. Vanzelfsprekend kan de geestelijke verachtering niet weggenomen worden, maar wel kan het ontwikkelingsniveau verhoogd worden, op voorwaarde, dat vroeg genoeg met de behandeling begonnen wordt.

Deze stelling wordt bevestigd door S. Kirk van het instituut voor onderzoek van afwijkende kinderen te Illinois in zijn boek "Early Education of the mentally retarded". Zijn uitgebreide studie over verstandelijk verachterde kinderen brengt naar voren, dat verstandelijke verachtering geen statische toestand is. De verstandelijke en sociale ontwikkeling van deze kinderen kan tot een aanzienlijke graad verhoogd worden, als ze een intensieve en aangepaste opleiding in kleuterschoolverband krijgen op de leeftijd tussen 3 en 6 jaar. Over de gehele lijn waren de uitslagen positief, wel maakten de kinderen met organische defecten minder vooruitgang dan de anderen.

Niet alleen verhoogde het intelligentie quotiënt, maar vooral het Sociale Quotiënt, deze stijging was aanzienlijk. Hoewel wij niet over de tijd beschikken de uitslagen zo systematisch te bestuderen als de Amerikanen, hebben wij toch in onze tienjarige ervaring veel positieve resultaten kunnen boeken, hetgeen dikwijls bevestigd werd door een heronderzoek in de Medische Psychologische Kinderkliniek waarmede we samenwerken,

We menen dat er een verantwoordelijke taak ligt voor de Gemeenschap om ook deze kinderen reeds vroeg de gepaste opvoeding te geven. De kleuteropleiding van het geestelijk gehandicapt kind is lang een verwaarloosd terrein geweest. We weten wel, dat niet alleen de hoge kosten van werkwijze en inrichting, maar ook een gemis aan heilpedagogisch gevormde kleuterleidsters hiervan de oorzaak is.

Met onze uiteenzetting hebben we getracht enige aanduidingen te geven, hoe de heilpedagogische opleiding van de kleuter zou kunnen opgevat worden. Het is nog een nieuw probleem met nieuwe pedagogische technieken, die verder dienen uitgewerkt te worden.

We hopen, dat deze aanduidingen een aansporing mogen zijn, ons te bezinnen over de eisen welke de opvoeding van de geestelijk gehandicapte kleuter ons stelt, zodat ook dit kind de ontplooiingsmogelijkheid krijgt waarop het recht heeft.